Meneer, hebt u iets tegen protestanten?

Zoals elk jaar leerden de 6de jaars in onze klas over de protestantse revolutie. Dit jaar misschien zelfs met extra aandacht omdat het 500 jaar geleden is dat Martin Luther zijn beruchte stellingen aan de slotkapel van Wittenberg timmerde. In deze lessen bekijken we natuurlijk de oorzaken van deze opstand. Heel wat protestantse opwerpingen tegen de problemen in de Kerk waren soms terecht, zoals het ontbreken van een degelijke priesteropleiding en de manier waarom sommige geestelijken met aflaten omgingen, ook binnenkerkelijk leefde dit besef. Daarnaast besprak ik met de leerlingen ook de manier waarop de protestanten deze problemen benaderde en hoe ze daarna ook theologisch helemaal afdwaalden. Ik vond het belangrijk dat de leerlingen kritisch leerden zijn tegenover het gedrag van sommige geestelijken in de Kerk, maar net zo goed tegenover de manier waarop protestanten hiermee om zijn gegaan, want dat laatste wordt soms wel eens overgeslagen.

Daarmee had ik toch een bepaalde indruk gewekt bij de leerlingen, waarvan er eentje, mondig als ze zijn, me vroeg of ik eigenlijk ‘iets’ had tegen protestanten. Mijn kritische benadering had blijkbaar de indruk gewekt dat ik een soort van haat tegenover protestanten zou koesteren, wat natuurlijk niet erg christelijk zou zijn. Ook daarop werd ik aangesproken. Eigenlijk was ik zeer blij dat deze leerling zijn indruk ter sprake bracht. Het legt iets bloot dat ook maatschappelijk lijkt te leven: het idee dat als je kritisch bent over een bepaald gedrag of handeling, je ook de persoon in kwestie afkeurt. Dat was hier het geval bij de protestantse opstand, maar het gebeurd bijvoorbeeld ook bij discussies over het het zogenaamde homo-huwelijk of abortus. Wie vragen stelt bij bepaalde levenskeuzes, zou daarmee ook de mensen die er in verwikkeld zitten, veroordelen.

Niets is minder waar natuurlijk. In een eerste poging vergeleek het met de leerling zelf. ‘Kijk Chaima, ik vind je echt een fijne leerling, maar ik vind het niet fijn als je bijvoorbeeld zou roepen in mijn les’. Er is dus een verschil tussen hoe ik jou als persoon waardeer en hoe ik een bepaald gedrag dat je vertoont waardeer. Op dezelfde manier ga ik als katholiek ook om met protestanten als persoon en het protestantisme zelf.’ Met deze benadering waren ze toch helemaal niet overtuigd, zeker nadat ik me een beetje had opgeboeid in katholieken die 500 jaar ‘reformatie’ vierden. Daar stond ik dan als leerkracht met al mijn goede bedoelingen een beetje vastgenageld als een papiertje met 95 stellingen. Gelukkig kreeg ik tijdig een ingeving en probeerde ik het op een andere manier. Dit keer met de parabel van de verloren zoon.

‘De Kerk neemt hier de plaats in van de goede vader, die zijn zoon liefheeft en verlangt naar zijn thuiskomst, al heeft zijn zoon hem verlaten. Net als de vader keurt de Kerk niet alles goed wat de zoon gedaan heeft of is ze het niet eens met de richting die de protestanten zijn uit gegaan, maar net zo goed keert ze zich niet af van de protestanten, maar kijkt ze hoopvol uit naar hun terugkomst, om zoals Jezus het zegt ‘allen één te zijn’. Een liefdevolle vader zou toch niet het vertrek van zijn zoon vieren, maar wel zijn terugkomst en dat was dus wat ik bedoelde.’

Het begon de leerlingen duidelijk te worden. ‘Ik heb dat soms ook met mijn broer’ zei al snel een van de meisjes. ‘Ik ook, maar dan met mijn vriendje’ zei een andere. Er gaat dan ook een ontegensprekelijke universele kracht uit van de parabel van de verloren zoon. Er vloeide snel mooie gespreken uit voort, over liefde die breuken en fouten overstijgen in relaties met vriendjes, ouders en familie.  Al even snel kwam spijtig genoeg ook het belsignaal en de leerlingen verlieten de klas om naar huis te gaan. Moe maar voldaan ging ook ik op pad, uitkijkend naar hun terugkeer.

 

Advertenties